Vidi aqua …

Oordeel niet …
De evangelielezing van deze week (Mattheüs 7:1-14) wordt vaak samengevat in één bekende zin: “Oordeel niet.” Toch lijkt Christus ons hier niet op te roepen om het oordelen eenvoudigweg achterwege te laten. Veel eerder nodigt Hij ons uit een andere wijze van waarnemen te ontwikkelen: een weg die voert door de nauwe poort tussen twee uitersten.
Aan de ene kant kan onze ziel uitvloeien in sympathie. Alles wat wij ontmoeten krijgt dan als vanzelf een warme gloed. We zien vooral het mooie, het goede en het lieve. Dat schenkt verbondenheid, maar kent ook een schaduwzijde. Wie uitsluitend vanuit sympathie kijkt, loopt het gevaar de ander niet werkelijk te zien. Liefde kan dan onbedoeld blind worden; wij ontmoeten vooral ons eigen beeld van de ander.
Aan de andere kant staat de antipathie. Daar worden onze waarnemingen vaak scherp en analytisch. We zien feilloos de tekortkomingen, de onvolkomenheden en de fouten. Dat lijkt objectief, maar ondertussen onttrekken wij aan de ander precies datgene wat een mens nodig heeft om zich werkelijk te kunnen tonen: de warmte van onze belangstelling.
Tussen deze twee bewegingen bevindt zich de nauwe poort waarover Christus spreekt. Zij doet denken aan het kruispunt van een lemniscaat: de plaats waar beide stromingen elkaar ontmoeten en worden omgevormd. Die poort is alleen toegankelijk wanneer wij bereid zijn kleiner te worden. Niet langer staat mijn oordeel centraal, maar mijn verwondering.
Wie ben jij werkelijk?
Wat leeft er in jou?
Wat is jouw vraag?
Hoe kan ik je beter leren kennen?
Dat is de houding van het inter-esse: letterlijk “ertussen zijn”. Niet vóór de ander gaan staan met mijn mening, maar mij begeven in de ruimte die tussen ons ontstaat.
Maria lijkt daarvan een prachtig beeld te geven. Haar vraag is steeds weer: Wat weeft er tussen jou en mij? In die open tussenruimte kan de Christus werkzaam worden, Hij die Zelf zegt: “Ik ben de deur.” Hij wordt de poort waardoor wij de ander opnieuw leren zien.
Dan verandert ook onze blik. Wij kijken niet langer uitsluitend met sympathie of antipathie, maar met een hart dat geopend is. De ogen worden dragers van liefde, niet omdat zij minder scherp zien, maar omdat zij dieper schouwen.
Misschien is dat wel de verborgen betekenis van Christus’ oproep om niet te oordelen. Niet dat onderscheidingsvermogen verdwijnt, maar dat het wordt gedragen door liefde. Pas wanneer waarheid en warmte samenkomen, ontstaat echte ontmoeting.
En hoeveel vreugde kan er dan gaan stromen. Want wie zich werkelijk gezien weet, zonder veroordeeld of geïdealiseerd te worden, ervaart iets van zijn diepste mens-zijn.
Dan zie ik mijzelf weerspiegeld in de ogen van de ander. Dan voel ik mij gedragen door de armen van die grote Ander, in Wie ieder mens uiteindelijk zijn oorsprong én zijn bestemming hervindt.
Misschien is dát de nauwe poort: de plaats waar het oordeel zwijgt, de liefde begint te zien en de ontmoeting een bron wordt waaruit beide mensen vernieuwd tevoorschijn komen.

Momenteel ben ik het boek Beginning Middle End van Valeria Luiselli (1983) aan het lezen:
Een moeder en een dochter gaan op reis nadat het huwelijk van de moeder op de klippen is gelopen. Hun reis begint op Sicilië, tijdens een zomer vol snel wisselende winden, vulkanisch gerommel en plotselinge stormen. Hoe begin je opnieuw, vraagt de moeder zich af, als je het begin al verkeerd hebt aangepakt? De reis verandert al snel in een zoektocht naar de oorsprong – niet alleen door hun familiegeschiedenis heen, maar ook verder terug naar een mythisch en zelfs geologisch verleden.
Nu haar dochter de kindertijd achter zich laat en haar moeder tekenen van dementie begint te vertonen, bevindt de vertelster zich op een kruispunt. Ze moet zich nu afvragen: hoe kunnen we ons diep in de wereld verankeren en tegelijkertijd onze vergankelijkheid daarin accepteren? Hoe ontstaan de herinneringen van een familie en wat gebeurt er als ze verdwijnen?
Een road novel, een moeder-dochterverhaal, een radicaal portret van een nieuwe start in al zijn vormen: Beginning Middle End is een opwindend eerbetoon aan de kracht van de verhalen en de liefdes die ons het dierbaarst zijn. In hetgeen volgt citeer ik een passage die me raakte:

Aphrodite
Aphrodite, goddess of beauty, has perhaps the most well-known story and is also my favorite entry in Hesiod’s Theogony. Her story is the epitome of gore in ancient Greek cosmogonic storytelling. Earth is furious at Sky because he has chosen to lock away and hide their most anomalous offspring (Cyclopes and Hundred-Handers) in the depths, instead of letting them live freely, so she rounds up all her other off-spring, the Titans, and asks them to castrate Sky as a punishment. None of them dare to, except Kronos, god of time, who happily volunteers to kill his father. So, one day, wayward Sky descends, and just as he is spreading himself out around Earth in his desire for her love, and is lying “outstretched in all directions,” Kronos ambushes him and with a jagged-toothed weapon he “reaps” the genitals from him and throws them out into the Ocean.
The genitals drift for days or years, or centuries maybe, in the mighty Ocean. And finally, one day, from their “white foam,” Aphrodite emerges.
Aphrodite is therefore the offspring of Gaia and Ouranos by the actions of her half brother, Kronos. Or, in other words, in this particular dictionary, beauty would be defined as the union of sky and ocean by means of time. Or, maybe more generally, as the union of water and air through time. Or the merging of the material and the immaterial in time. Or, more abstractly, as the merging of two differing elements, one material and one ineffable, but both quite ungraspable, across the passage of time.
And time here, of course, is the key. Beauty would not have sprung ipso facto, as other things spring from the forehead and limbs of Zeus. Beauty comes only with time, after some time, and not without patience and pain.
Medusa noctiluca


Barcarolle
Het radio-programma Tussen Hemel en Aarde van afgelopen zondag had als thema: verlangen naar water – heel erg passend in deze tijd van aanhoudende droogte, kort voor de “Hondsdagen”.
In dit programma hoorde ik de antifoon Vidi aqua (ik heb het water gezien), naar een visioen van de profeet Ezekiël: mooi hoe Carles Magraner van de Capella de Ministrers de Gregoriaanse melodie van een “duplum” voorzag in het refrein, als referentie naar de Organum-periode uit de oude muziek.
Even later klonk ook deze barcarolle van Charles-Valentin Alkan, een Frans componist en pianist uit de 19de eeuw, die over extreem veel virtuositeit beschikte. Een barcarolle is een gondellied: rustige, wiegende muziek, waarbij ik me zo in een gondel waan die langzaam voortglijdt over de lagune,
terwijl zonlicht helder afvonkt van de gofjes: