Uncategorized

Aan de bron …

In het gesprek van Christus met de Samaritaanse vrouw (Johannes 4) gebeurt meer dan een ontmoeting tussen twee mensen. Er wordt iets nieuws geboren. Men zou kunnen zeggen: in dit gesprek wordt een bron geslagen in de ziel van de vrouw.
Aanvankelijk komt zij met een eenvoudige behoefte. Zoals iedere dag komt zij water putten. Haar aandacht is gericht op wat zij nodig heeft om te leven. Maar Christus verlegt het gesprek geleidelijk van het uiterlijke water naar een diepere dorst. Hij spreekt over het levende water dat in de mens zelf een bron kan worden – daarmee raakt Hij aan de essentie van geloven.
Vaak denken wij bij geloven aan het voor waar houden van bepaalde gedachten. Maar geloven is in wezen erkennen. Het is ontvankelijk worden voor een werkelijkheid die zich aan ons openbaart. Werkelijk geloven betekent dat het wezen van Christus in ons een plaats krijgt. Het geloof is dan niet iets wat wij bezitten, maar een kracht waardoor Christus zelf werkzaam wordt in onze ziel.
Misschien kunnen we dat vergelijken met vogels bij zonsopgang. Zij zingen niet omdat zij een theorie over de zon hebben. Zij zingen omdat de zon in hen werkt. Hun gezang is als het ware een openbaring van het licht dat hen heeft geraakt. Zo wordt ook in de mens datgene zichtbaar wat hij werkelijk gelooft. Wat wij in geloof toelaten, begint in ons werkzaam te worden en zoekt uiteindelijk een vorm van openbaring.
Dat maakt het gesprek bij de bron ook tot een beeld van het sociale leven. Werkelijke ontmoeting begint niet bij het uitwisselen van meningen, maar bij de bereidheid de ander werkelijk tegemoet te treden. Nog een stap verder: ben ik bereid het wezen van de ander in mij te laten leven? Niet om mijzelf te verliezen, maar om ruimte te maken voor een werkelijkheid die groter is dan mijn eigen begrensde bestaan.
Daar ontstaat iets wat men levensgemeenschap zou kunnen noemen. De ander wordt niet langer een object van mijn waarneming, maar krijgt een plaats in mijn innerlijk leven.
Ook de Samaritaanse vrouw komt eerst als ontvangende. Zij heeft dorst, zij zoekt water. Maar Christus voert haar naar een punt waarop ontvangen en schenken één beweging worden. Het levende water dat Hij geeft, wil niet worden vastgehouden. Het wil verder stromen.
Misschien ligt daarin een diep sociaal sacramentalisme besloten: ieder mens komt met een behoefte, met een verlangen, met een tekort. Maar de vraag is uiteindelijk niet alleen wat wij ontvangen. De vraag is of wij bereid zijn terug te schenken wat in de ontmoeting gewekt wordt. Of het ontvangen leven door ons heen weer vruchtbaar mag worden voor anderen.
Zo wordt de bron waaruit wij drinken tegelijk een bron die uit onszelf begint op te wellen. En waar dat gebeurt, wordt iets zichtbaar van het geheim van Christus: dat Hij niet alleen water geeft, maar de mens zelf tot bron maakt. .


Chrysalis wolken
S y m f o n i e
 
uit ál die keeltjes
 klinkt een lied:
nee, niet uit hen,
maar om hen heen

en door te luisteren
laten zij weerklinken
 wat onhoorbaar is:

het diep verlangen
van de dageraad,
die met 'n roze blos
 als dag ontwaakt

Soms lijkt het alsof muziek niet door mensen wordt gemaakt, maar alsof mensen haar mogen ontvangen.
Op een vroege zomerochtend luisterde ik naar het vogelkoor bij het ontwaken van de dag. Uit talloze kleine keeltjes steeg een veelheid van stemmen op, maar terwijl ik luisterde, drong zich een andere ervaring op: het lied kwam niet alleen uit de vogels. Het leek ook om hen heen te klinken, alsof zij gehoor gaven aan een muziek die reeds aanwezig was.
De vogels zingen de dageraad niet tevoorschijn. Zij luisteren haar als het ware af en geven haar een stem.

Die ervaring kwam bij mij terug tijdens het luisteren naar de derde symfonie van Henryk Mikołaj Górecki, de Symphony of Sorrowful Songs. Ook daar klinkt iets dat groter is dan de afzonderlijke stemmen, groter zelfs dan het verdriet dat in de muziek besloten ligt. Onder de langzame bewegingen, de eenvoudige melodieën en de diepe verstilling leeft een verlangen dat niet uit de mens alleen lijkt voort te komen. Zoals de Samaritaanse vrouw bij de bron geleidelijk ontdekt dat haar uiterlijke dorst verwijst naar een diepere dorst van de ziel, zo voert Górecki de luisteraar naar een gebied waar verdriet en verlangen elkaar ontmoeten. Niet om daarin gevangen te blijven, maar om een verborgen bron te ontdekken. De muziek beweegt zich langzaam, bijna aarzelend, alsof zij luistert naar iets dat nog niet geheel hoorbaar is. En juist daardoor ontstaat ruimte voor wat anders gemakkelijk verloren gaat: het stille verlangen van de menselijke ziel naar licht, naar troost, naar een thuiskomen dat nog niet voltooid is. Misschien is dat wat een ware symfonie doet. Niet alleen klanken samenbrengen, maar hoorbaar maken wat reeds aanwezig is.
Zoals de vogels bij het eerste licht van de dag:
Zij zingen niet zichzelf - zij laten de dageraad klinken.

Luister op Youtube