Laudar vollio per amore …

Deze oktober is het 800 jaar geleden, dat de heilige Franciscus overleed – hierboven staat de eerste regel van een lauda, een loflied ter ere van hem.
Dit is een van de vroegste bewaard gebleven voorbeelden van religieuze poëzie en muziek in de Italiaanse volkstaal, geschreven in het Oud-Umbrisch/Italiaans dialect.
Het lied eert Sint Franciscus van Assisi (lo primer frate minore – de eerste minderbroeder) en bezingt zijn nederigheid, zijn afstand doen van wereldse zaken, zijn prediking tot de vogels en de stichting van de franciscaanse ordes.
Het werd gecomponeerd voor middeleeuwse broederschappen (laudesi) in Umbrië en Toscane en werd gezongen om spirituele toewijding en volksreligieuze ijver tot uitdrukking te brengen.
Deze dertiende eeuwse melodie raakte me heel direct, en leek te resoneren met diepe, innerlijke ervaringen, zoals ik dat eerder heb beleefd met muziek uit de organum periode in de twaaalfde eeuw, muziek die is verbonden met de maatvoering van de Notre Dame in Parijs. Steiner geeft aan, dat er doorgaans een periode van circa 700 jaar verloopt tussen twee incarnaties, waarbij je afwisselend incarneert in een vrouwelijke en een mannelijke lichaam, om beide ervaringen te kunnen proeven.

Verder lezend in Grenservaringen van de ziel (er is ook een
Engelse vertaling
van dit boek: Self-Doubt: Depression, Anxiety Disorders, Panic, and Fear: Threshold Experiences, Crises of the Soul, and Healing on the Anthroposophical Path uit 2018) vinden we op pag 21 een lang citaat uit GA 254: Het levende wezen der antroposofie en haar verzorging.
In deze passage beschrijft Steiner, hoe ons huidige bewustzijn als het ware in zichzelf wordt gespiegeld. Hierdoor treedt er een afscheiding op, een grens tussen ons bewustzijn en de ons omringende natuur, maar óók richting onze ziel (respectievelijk de linker en rechter gearceerde grens in bovenstaande tekening).
Deze grenzen zorgen ervoor, dat we andere mensen (en ons onbewuste wezen) niet meer zó direct kunnen ontmoeten en beïnvloeden, als dit in vorige fasen van de aarde-ontwikkeling nog mogelijk was.
Een herinnering aan dit oude vermogen vinden we terug in het Griekse woord voor koning, βασιλεύς (basileus) – dit woord hangt etymologisch samen met bainoo (doen gaan, dwz. in beweging zetten) en láos (het volk). Met andere woorden: zo’n koning (waarvan Karel de Grote, rond 800 AD, het laatste voorbeeld was) is iemand die zijn volk in beweging kan zetten, in een richting die overeenkomt met de wetten van de kosmos. De koningskroon was hierbij een symbool voor een schedel die een opening vormt naar de geestelijke wereld, ongeveer zoals de fontanel bij een baby.
Wat me ook raakte in deze voordracht, is, hoe Steiner aangeeft dat «Verrückte», letterlijk: mensen die «eruit gerukt zijn», als het ware “gaten” hebben in de beschermende “spiegels” die normaliter een grens vormen naar buiten en naar binnen. Via deze “gaten” kunnen zij andere mensen té sterk beïnvloeden, net zoals dat vroeger gebeurde in de oude-maanfase van de aarde-ontwikkeling.
Het zilver, het metaal van de maan, dat ook wordt gebruikt bij het maken van spiegels, helpt ons in de vorm van een antroposofisch medicament om onze innerlijke spiegels te versterken.

Het witte paard
Afgelopen zondag was Ewoud Mahler, een jonge priester uit Antwerpen, op bezoek in Veldhoven, dit in het kader van een “caroussel”, waarbij alle priesters beurtelings te gast waren in een andere gemeente. In zijn preek sprak Ewoud over het witte paard uit de Apokalypse (Openbaring 19), als beeld van het reine denken, de levende intelligentie, in tegenstelling tot het verhullende van kunstmatige intelligentie.
Het gesprek met de gemeente ging vervolgens over het thema van de Verwandeling, de transformatie, uit de mensenwijdingsdienst. Transformatie: het oude dat er is, naar een ander nivo brengen.
Wat was er nu zo fijn aan die ontmoeting met Ewoud? Misschien wel, om weer even zo onbevangen te zijn als in de tijd, rond 1990, dat ik De Christengemeenschap leerde kennen, toen ik voor mijn gevoel via een priester recht de hemel in keek en waar er een heel sterk gevoel was
van thuiskomen, in de Geest en in m’n hart:
Helder
... ben ik bereid om jou iedere keer weer te ontmoeten met een open hart, vanuit de rust en kalmte van 't Ik? wanneer ik toelaat wat m'n schaduw me wil spiegelen, dan loopt Christus alsmaar met me mee op m'n levenspad
Missa Prolationum
Op de radio hoorde ik onlangs het Kyrie uit de Missa Prolationum van Johannes Ockeghem, de Bach der late Middel-eeuwen, zoals gezongen door het Hilliard Ensemble. Dit is muziek met een bijna mystieke strengheid: iedere noot lijkt zich te schikken naar een verborgen ordening, en toch klinkt alles wonderlijk vrij, zoals de presentator vertelde. Die verborgen ordening is geen beeldspraak. In deze mis zingen twee paren stemmen tegelijk een canon: steeds dezelfde melodie, maar in verschillende maatsoorten, zodat de ene stem de andere als het ware in een eigen tempo achterna loopt.

Daar komt ook de naam van deze mis vandaan: prolatio was in die tijd de term voor de maatverdeling. Het is een contrapuntisch kunststuk van de eerste orde, en juist daardoor kreeg Ockeghem later de reputatie van een rekenmeester die vooral ingewikkelde kunstjes uithaalde. Wie echter met een open oor luistert, hoort iets heel anders: geen constructie, maar een doorzichtige, bijna zwevende schoonheid. 🎵 Luister op YouTube